Separable verbs
Many verbs have a prefix that splits off and goes to the end of the clause in the present and past:
- opstaan → Ik sta om zeven uur op.
- opbellen → Ik bel je morgen op.
- meenemen → Neem je een jas mee?
The stress is on the prefix: opstaan, meenemen. Common prefixes: op, af, aan, uit, mee, in, terug, weg, voor.
Reflexive verbs
Some verbs need a reflexive pronoun:
| zich wassen | |
|---|---|
| ik was me | wij wassen ons |
| jij wast je | jullie wassen je |
| hij/zij wast zich | zij wassen zich |
| u wast zich |
Common ones: zich haasten (hurry), zich voelen (feel), zich vervelen (be bored), zich aankleden (get dressed).