skip to content
English

English words

0 learning0 familiar0 known0 mastered 483 new

483 shown

  • hello / hi hallo, hoi
  • goodbye / bye tot ziens, doei
  • good morning goedemorgen
  • good afternoon goedemiddag
  • good evening goedenavond
  • good night welterusten, goedenacht
  • see you later tot later
  • please alsjeblieft (bij een verzoek)
  • here you are alsjeblieft (bij het aangeven)
  • thank you / thanks dank je wel, bedankt
  • you're welcome graag gedaan
  • sorry sorry
  • excuse me pardon
  • yes ja
  • no nee
  • I ik
  • you jij, u, jullie
  • he hij
  • she zij (enkelvoud)
  • it het
  • we wij
  • they zij (meervoud)
  • am ben
  • is is
  • are bent, zijn
  • name naam
  • student student
  • teacher leraar, lerares
  • from uit, van
  • Dutch Nederlands, Nederlander
  • one een
  • two twee
  • three drie
  • four vier
  • five vijf
  • eleven elf
  • twelve twaalf
  • thirteen dertien
  • fifteen vijftien
  • twenty twintig
  • thirty dertig
  • forty veertig
  • fifty vijftig
  • hundred honderd
  • thousand duizend
  • old oud
  • family familie, gezin
  • mother / mum moeder, mama
  • father / dad vader, papa
  • parents ouders
  • sister zus
  • brother broer
  • son zoon
  • daughter dochter
  • child kind
  • children kinderen
  • husband echtgenoot
  • wife echtgenote
  • grandmother oma
  • grandfather opa
  • aunt tante
  • uncle oom
  • cousin neef, nicht (kind van oom/tante)
  • work werken
  • live wonen, leven
  • like leuk vinden
  • eat eten
  • drink drinken
  • go gaan
  • get up opstaan
  • watch kijken (naar)
  • play spelen
  • read lezen
  • study studeren
  • every day elke dag
  • usually meestal
  • always altijd
  • never nooit
  • who wie
  • what wat
  • where waar
  • when wanneer
  • why waarom
  • how hoe
  • which welke
  • whose van wie
  • how much hoeveel (ontelbaar)
  • how many hoeveel (telbaar)
  • how often hoe vaak
  • because omdat, want
  • Monday maandag
  • Tuesday dinsdag
  • Wednesday woensdag
  • Thursday donderdag
  • Friday vrijdag
  • Saturday zaterdag
  • Sunday zondag
  • weekend weekend
  • month maand
  • year jaar
  • hour uur
  • minute minuut
  • half past half (+ volgend uur in het Nederlands)
  • quarter kwartier
  • o'clock uur (hele uren)
  • today vandaag
  • tomorrow morgen
  • yesterday gisteren
  • bread brood
  • cheese kaas
  • butter boter
  • egg ei
  • apple appel
  • banana banaan
  • water water
  • coffee koffie
  • tea thee
  • milk melk
  • beer bier
  • breakfast ontbijt
  • lunch lunch
  • dinner avondeten
  • hungry hongerig
  • thirsty dorstig
  • delicious heerlijk, lekker
  • street straat
  • station station
  • shop winkel
  • supermarket supermarkt
  • bank bank (geld)
  • bakery bakkerij
  • square plein
  • bridge brug
  • park park
  • hospital ziekenhuis
  • left links
  • right rechts
  • straight on rechtdoor
  • corner hoek
  • opposite tegenover
  • near dichtbij
  • far ver
  • red rood
  • blue blauw
  • yellow geel
  • green groen
  • black zwart
  • white wit
  • orange oranje
  • grey grijs
  • brown bruin
  • pink roze
  • big groot
  • small klein
  • beautiful mooi
  • ugly lelijk
  • new nieuw
  • expensive duur
  • cheap goedkoop
  • right now nu, op dit moment
  • at the moment op het moment
  • this week deze week
  • wait wachten
  • rain regenen
  • cook koken
  • listen luisteren
  • look for zoeken naar
  • wear dragen (kleding)
  • understand begrijpen
  • know weten, kennen
  • want willen
  • need nodig hebben
  • last week vorige week
  • last year vorig jaar
  • ago geleden
  • went ging
  • had had
  • saw zag
  • bought kocht
  • ate at
  • came kwam
  • was was
  • were waren
  • did deed
  • visit bezoeken
  • stay blijven, logeren
  • next week volgende week
  • next year volgend jaar
  • soon binnenkort
  • later later
  • plan plan, plannen
  • going to gaan (toekomst)
  • will zullen
  • shall zullen (voorstel)
  • probably waarschijnlijk
  • maybe misschien
  • promise beloven
  • bigger groter
  • smaller kleiner
  • better beter
  • best best
  • worse slechter
  • worst slechtst
  • more meer
  • most meest
  • than dan
  • as … as net zo … als
  • tall lang (persoon)
  • fast snel
  • easy makkelijk
  • difficult moeilijk
  • can kunnen
  • could kon, zou kunnen
  • must moeten
  • mustn't niet mogen
  • have to moeten
  • don't have to niet hoeven
  • should zou moeten
  • may mogen, misschien
  • allowed toegestaan
  • rule regel
  • advice advies
  • at om, bij, op
  • on op
  • in in
  • at home thuis
  • at work op het werk
  • at night 's nachts
  • in the morning 's ochtends
  • on the bus in de bus
  • on the wall aan de muur
  • during tijdens
  • until tot
  • for voor, gedurende
  • much veel (ontelbaar)
  • many veel (telbaar)
  • a lot of veel
  • a few een paar
  • a little een beetje
  • few weinig (telbaar)
  • little weinig (ontelbaar)
  • money geld
  • time tijd
  • information informatie
  • luggage bagage
  • furniture meubels
  • homework huiswerk
  • trip reis, uitstapje
  • journey reis, tocht
  • ticket kaartje
  • return ticket retourtje
  • single ticket enkeltje
  • platform perron
  • delay vertraging
  • suitcase koffer
  • passport paspoort
  • airport vliegveld
  • flight vlucht
  • get on instappen
  • get off uitstappen
  • miss missen
  • book boeken
  • abroad in het buitenland
  • ever ooit
  • already al
  • yet al (vraag), nog (niet)
  • just net, zojuist
  • so far tot nu toe
  • since sinds
  • been geweest
  • seen gezien
  • done gedaan
  • lost verloren
  • finished af, klaar
  • give up opgeven
  • look after zorgen voor
  • find out ontdekken, uitzoeken
  • turn on aanzetten
  • turn off uitzetten
  • put on aantrekken
  • take off uittrekken, opstijgen
  • pick up oppakken, ophalen
  • call back terugbellen
  • run out of door … heen raken
  • go out uitgaan
  • come back terugkomen
  • if als, indien
  • unless tenzij
  • would zou
  • as soon as zodra
  • in case voor het geval dat
  • rich rijk
  • lottery loterij
  • win winnen
  • built gebouwd
  • written geschreven
  • made gemaakt
  • stolen gestolen
  • sold verkocht
  • spoken gesproken
  • invented uitgevonden
  • born geboren
  • by door
  • repair repareren
  • deliver bezorgen
  • that die, dat
  • neighbour buurman, buurvrouw
  • grow up opgroeien
  • recommend aanraden
  • used to vroeger (deed ik)
  • be used to gewend zijn aan
  • get used to wennen aan
  • anymore niet meer
  • childhood jeugd
  • habit gewoonte
  • smoke roken
  • early vroeg
  • noise lawaai
  • enjoy genieten van
  • finish afmaken
  • avoid vermijden
  • suggest voorstellen
  • mind het erg vinden
  • decide besluiten
  • hope hopen
  • refuse weigeren
  • afford zich kunnen veroorloven
  • look forward to uitkijken naar
  • be good at goed zijn in
  • can't stand niet kunnen uitstaan
  • say zeggen
  • said zei
  • tell vertellen, zeggen (tegen)
  • told vertelde
  • ask vragen
  • whether of
  • explain uitleggen
  • reply antwoorden
  • mention noemen
  • admit toegeven
  • would have zou hebben
  • could have had kunnen
  • might have had misschien
  • if only had ik maar
  • regret spijt hebben van
  • otherwise anders
  • chance kans
  • accept accepteren, aannemen
  • should have had moeten
  • must have moet wel hebben
  • can't have kan niet hebben
  • forget vergeten
  • notice opmerken
  • mistake fout
  • apologise zich verontschuldigen
  • put up with tolereren, verdragen
  • come up with bedenken
  • get along with goed kunnen opschieten met
  • run into tegen het lijf lopen
  • turn down afwijzen, zachter zetten
  • carry on doorgaan
  • figure out uitvogelen
  • bring up ter sprake brengen, opvoeden
  • put off uitstellen
  • set up opzetten, oprichten
  • break down kapotgaan
  • work out sporten, goed aflopen
  • call off afgelasten
  • look into onderzoeken
  • wish wensen
  • instead in plaats daarvan
  • complain klagen
  • patient geduldig
  • although hoewel
  • even though ook al
  • despite ondanks
  • in spite of ondanks
  • however echter
  • whereas terwijl (contrast)
  • therefore daarom
  • moreover bovendien
  • furthermore verder, bovendien
  • due to vanwege, als gevolg van
  • on the other hand aan de andere kant
  • nevertheless niettemin
  • eventually uiteindelijk
  • possibly eventueel, mogelijk
  • actually eigenlijk
  • current actueel, huidig
  • sympathetic meelevend
  • likeable sympathiek
  • brave dapper
  • well-behaved braaf
  • check controleren
  • familiar vertrouwd, bekend
  • relatives familie(leden)
  • sensible verstandig
  • sensitive gevoelig, sensibel
  • boss chef, baas
  • factory fabriek

Showing the first 400. Search to narrow it down.

stan runge c757d08 source