skip to content
English

A1Beginner

My family

Familie, bezittelijke voornaamwoorden en 's

Bezittelijke voornaamwoorden

my mijn
your jouw, uw, jullie
his zijn
her haar
its zijn/haar (dingen, dieren)
our ons, onze
their hun

Bezit met 's

Anna's* brother* — de broer van Anna. Meervoud op -s: alleen een apostrof: my parents'* house*.

its (bezit, zonder apostrof) ≠ it's (= it is).

Have got

In Brits Engels zeg je vaak have got voor bezit: I've got* a sister. Has she got kids?* Beide zijn goed: I have a sister.

stan runge c757d08 source